Deze blogpost is deel 7 van 15 in de reeks De Reünie

Aan de overkant van de straat zie ik mijn ouderlijk huis. De schoorsteen is half door het dak gezakt. In de tuin liggen brokstukken die van de muren afkomstig zijn. Mijn broer staat achter een gebarsten raam. Hij zwaait naar mij.
Voordat ik oversteek kijk ik naar links, naar rechts en vervolgens weer naar links. Met flinke snelheid komt een auto aanrijden. Stormvlagen snellen hem vooruit. Stof, zand, bladeren en allerlei andere troep komt aan mij voorbij gewaaid. Het wordt moeilijk de andere zijde nog te ontwaren. Mijn ogen moet ik tot spleetjes samenknijpen tegen het fijne gruis dat poogt tranen te trekken. Ik trek mijn jas over mijn hoofd en steek de weg over.


Moeizaam vecht ik tegen de voortrazende wind om niet te ver van mijn doel te geraken. De auto lijkt verdwenen. Opgeslokt door de storm. Met mijn voet stoot ik tegen het trottoir. Ik kom onder mijn jas tevoorschijn. De storm is gaan liggen. De huizenrij is verdwenen. Voor mij strekt zich een oneindig grasveld uit. Zo ver ik kan kijken. Zonder enige begrenzing. Als ik mij omdraai zie ik aan de overkant van de straat mijn ouderlijk huis. Nog één keer zwaai ik naar mijn broer.
Dan keer ik me terug naar het weids golvende grasland en begin te lopen. De zon staat hoog aan de hemel. Ik voel een hand de mijne vastpakken. Vogels zingen ons lied.

Hoewel ik dodelijk vermoeid in bed was gevallen stond ik enkele uren later uitgerust onder de douche. De gebeurtenissen van de vorige avond en nacht liet ik de revue passeren terwijl het koude water de laatste resten slaap uit mijn lichaam ranselde.
Van de reünie zelf overheerste slechts één beeld: Karin! Het weerzien met haar had mooier uitgepakt dan ik ooit had durven dromen. Ze had er weergaloos uitgezien in haar avondkleding. Een stralende ster. Alle schroom was van me afgevallen toen ik haar hand vastpakte. De gang naar de dansvloer had aangevoeld alsof ik haar naar mijn slaapkamer bracht. Het dansen zelf was van een intimiteit zoals ik niet eerder had meegemaakt.
In mijn leven had ik liefdes gekend, bij Karin had ik ware liefde herkend.

Het beeld wat ook steeds door mijn hoofd spookte, was dat van Lucia. Ze had er slecht uitgezien. Achtergelaten door Paul, en gevonden door Linda en Angus. Ik begon me af te vragen of ik er wel goed aan had gedaan me afzijdig te houden. Mocht er politie bij te pas komen dan had ik heel wat uit te leggen om mijn aanwezigheid daar te verklaren. Zou iemand mij gezien hebben? Paul misschien? Ik nam me voor om er verder met niemand over te praten. Ook niet met Karin.

Karin…
Ik ga op zoek naar haar kaartje. Zonder te aarzelen kies ik haar nummer en wacht totdat ze opneemt.

“Met Karin…?”, klinkt haar nu al vertrouwde stem. Ze hijgt een beetje. Alsof ze gerend heeft.
“Hallo Mikadootje”, durf ik te zeggen.
“Hey, lief…”, is de mooiste beloning die ik terugkrijg.
Hierna gaat het als vanzelf.
“Al plannen voor deze mooie dag?”
“Niet echt…”
“Laten we het niet langer uitstellen, ik wil je zien.”
“Dat lijkt me een goed plan, kom je hierheen?”
“Ok, waar woon je?”
“Laat de stad achter je en…”
“Het huis op de heuvel?”
“Inderdaad, tot zo!”

Het komt in me op om het wekelijkse zaterdagochtend bezoekje aan mijn ouders deze keer te laten schieten. Maar waarom zou ik? De boodschappen moeten toch gedaan worden.
Een klein uurtje later parkeer ik de auto in hun straat. In plaats van aan te bellen besluit ik achterom te gaan. De donkere gang waarvan er eentje is na elk tweede huis, voelt koel aan. Sommige stoeptegels steken schuin omhoog. Er groeit mos tegen de muren. Veel bakstenen zijn afgebrokkeld. Het cement in de voegen is op verschillende plaatsen verdwenen. De houten poort hangt scheef in de scharnieren.
Als ik op mijn tenen ga staan kan ik er net overheen kijken. Ik zie moeder in het zonnetje zitten. Ze heeft een mandje met aardappels op haar schoot. Een krant met wat schillen ligt half opengewaaid tegen de poten van haar stoel.
Zachtjes open ik de poort om haar niet te laten schrikken.
Verheugd kijkt ze op als ze me herkent wanneer ik uit de schaduw kom. Achter mij valt de poort rammelend en piepend in het slot. Een geluid wat me altijd bijgebleven is en wat ik koester.

Ik vertel haar over de reünie.
Dat ik Karin heb ontmoet.
“Och, is dat niet dat leuke meisje wat je me een keer hebt aangewezen op een ouderavond?”
Verbaasd kijk ik haar aan.
“Daar was je toen al zo gek op.”
“Wie zegt dat ik gek op haar ben?”
“Ach jongen van me. Ontken het maar niet. Ik zie het in je ogen.”
Een onderdrukte grom doet me omdraaien. Vader zit een stukje verder. Hij heeft een woeste blik in zijn gezicht. Uit zijn mondhoek hangt een beetje speeksel. Hij zal het niet echt warm hebben daar in de schaduw. De onverstoorbare houding van mijn moeder laat blijken dat ze niet van plan is de rolstoel te verplaatsen. Wraak past ons allemaal.

Als ik aanstalten maak om te vertrekken fluistert ze me nog iets toe. Ik moet me wat naar haar toebuigen om het te verstaan.
“Je hebt toch geen gekke dingen uitgehaald gisteravond, jongen?”
Verbaasd knik ik van nee. Hoezo?
“Bij de bakker vanochtend hoorde ik Sjan van verderop, je weet wel, die met Harrie is getr…”. Ongeduldig onderbreek ik haar door te vertellen dat ik weet wie Sjan is. Uit haar verhaal maak ik op dat er gisternacht heel wat meer is gebeurd dan wat ik gedeeltelijk heb meegekregen. Het is geen doorsnee reünie geweest.
Met een kus neem ik afscheid.

Al die jaren heb ik mij afgevraagd wie mij aan de hand nam.
Ik had wel een idee.
Durfde dat echter niet toe te laten. Bang dat het dan fout zou gaan.
Alleen door niet te kijken wist ik dat zij het was.

Met een zoen word ik teruggehaald.
De gehele middag is als in een roes aan mij voorbij gegaan.
We hebben gesproken, gewandeld, gegeten, gedronken.
Elkaar aangeraakt. Vingers verstrengeld.
Dit was geen inhalen van verloren tijd. Geen goed maken van fouten.

Het is tijdloos.

Dan haar vochtige lippen tegen mijn wang. Op weg naar mijn mond. Ik open mij voor haar. Het puntje van haar tong krult zich onder die van mij. Een wolkje warme adem zweeft naar binnen. Doet liefde vermengen met lust.
Een laatste aarzeling voordat ik haar achterover duw op het bed. Het jurkje spant zich strak over haar lijf. Ik buig voorover en pak haar beider handen. Leg ze boven haar hoofd. Wanneer ik langs haar wang strijk, draait ze zich en zuigt mijn duim diep naar binnen. Onderwijl blijft ze me aankijken. Verleidelijker aanmoediging is niet denkbaar. Ik buig verder voorover, pak haar borst vast en begin door de dunne stof van het jurkje op haar tepel te ademen. De warme lucht doet haar groeien en kreunen. Ze tilt haar billen ietwat omhoog zodat ik het jurkje omhoog kan schuiven. Het slipje stroop ik omlaag. Ik leg mijn hand tussen haar benen. Natte warmte. Haar ademhaling versnelt. Verder schuif ik het jurkje omhoog en ontbloot zo haar buik. Daarna haar borsten. Kus haar navel.
Kleed mijzelf uit.
Ga naast haar liggen en pak haar hand vast. Ik draai opzij en

kijk haar aan.
Ik wist het!

~ ~ ~

Geschreven voor De Reünie

Voor de volledigheid:
Ik is niet Peter.
Hans is Ik.
Fictief is Hans.

~ ~ ~

navigeer door deze serie<< Nachtelijke omzwervingenMelancholy Blues >>