50 jaar

Ze haalden wel vaker rare fratsen uit, dus toen ik afgelopen vrijdagavond zag dat ze de buurvrouw op de carport hadden gehesen keek ik daar niet vreemd van op. In het felle licht van een schijnwerper stond ze ietwat voorovergebogen te hijgen en te puffen alsof ze in flinke ademnood was. Misschien had ze wel hoogtevrees. Bezorgd riep ik haar toe of ze hulp nodig had, maar ik kreeg geen antwoord terug. In de straat was verder niemand te bekennen. Het viel me op dat de buurvrouw sinds tijden weer eens een fatsoenlijk kledingstuk aan had. Een blauwe jurk waarin haar anders zo vormeloze borsten bij elke zucht en steun parmantiger naar voren priemden. Ook had ze een keukenschort omgeknoopt. Lichtblauw met bloemetjesmotief. Een merkwaardige klederdracht voor op een carport, zo bedacht ik me.

Nadat ik mijn laptoptas uit de kofferbak van de auto had gepakt keek ik nog eens naar haar op. Het amechtig gehijg was wat afgenomen. En haar houding straalde zowaar vastberadenheid uit. Zo had ik haar nog nooit gezien. “U ziet er vandaag goed uit,” gaf ik haar een welgemeend compliment. “Dank je!” kraakte haar versleten stem. Dat verwonderde mij want ik had haar mond niet zien bewegen. “En dat nog wel op mijn vijftigste verjaardag! Een mooier compliment kan ik mij niet wensen, buurman.” Uit het duister onder aan de carport kwam plotseling een soort van nachtwezen tevoorschijn. Uitpuilende ogen staarden mij aan vanuit een witbleek gezicht. Een dikke vadsige tong schoot naar buiten en likte onbeheerst aan pafferige lippen. Voor ik mijn handen tegen mijn oren kon houden klonk een schelle lach op uit de donkere krochten van haar uitgezakte lijf. Het was de echte buurvrouw.

Samen keken we omhoog naar de gigantische opblaaspop op het dak. In vol ornaat keek ze uit over ons woonerf. “Wat een lelijk ding is ‘t toch, nietwaar buurman? Maar ja, de jongens wilden zo graag iets origineels doen.” De buurvrouw rolde met vaardige hand een shagje voordat ze zich weer omdraaide en in het binnenste van de carport verdween.